Schimmelpenninck en de beginjaren van Scouting Rhenen
Als je aan Schimmelpenninck denkt, denk je al snel aan sigaren en niet aan Scouting. Het enige dat deze twee dingen met elkaar gemeen hebben is, dat het portret van Rutger Jan Graaf Schimmelpenninck op de sigarenbandjes de betovergrootvader is van Jhr. Schimmelpenninck waar onze Scoutinggroep naar vernoemd is. Leden van de familie Schimmelpenninck waren landbestuurders en hadden trouwe banden met het Koninklijk Huis, maar waren zeker geen sigarenmakers.

Het begon allemaal in de zomer van 1910. Na een bezoek van een Engelse padvinderspatrouille aan Nederland, begon het ‘padvinden’ in Nederland te leven. Een Amsterdamse uitgever werd zo enthousiast, dat hij in 1911 het blaadje De Padvinder ging uitgeven, dat ook al snel bij de Rhenense boekverkoper Cornelis Waiboer verkrijgbaar was. Zijn zoon Jan nam deze blaadjes mee naar school en daar gingen ze van hand tot hand. Een achttal jongens, waaronder Jan Waiboer, Lou Looysen, Herman Haaie, Wim Benninck en de tweeling Anton en Hendrik Bussemaker, startten dan uiteindelijk een padvinderstroep. Om een jute tent als onderkomen te bekostigen haalden ze bij welgestelde inwoners van Rhenen geld op en een jaar later gingen zij langs de deuren zodat zij uniformen konden aanschaffen.

Op 17 september 1912 was het dan zover. De padvinderstroep werd officieel opgericht en sloot zich aan bij de Nederlandse Padvinders Organisatie (NPO). Het bestuur bestond destijds uit D. Bender, W.M. Bredius, Willem de Haas, C. Sepp, Jacob van Wijngaarden, en burgermeester Jhr. G.J.A. Schimmelpenninck was erevoorzitter.

Tijdens het 100-jarig onafhankelijkheidsfeest in 1913 hielpen de padvinders de enige politieagent in de stad, door met hun stokken de straten af te zetten. Toen Jhr. Johan alias Jaap Schimmelpenninck, de jongste zoon van de burgemeester, dit zag, meldde hij zich spontaan aan. Zo kreeg de troep na één jaar zijn eerste hopman. Er werd vanaf toen geoefend rondom Huize Heimerstein waar de hopman woonde. In 1914 ging de troep voor het eerst op zomerkamp, maar door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog viel het kamp al snel in het water.

Prins Hendrik, de man van Koningin Wilhelmina, kwam als voorzitter van het Rode Kruis in aanraking met padvinders, doordat een grote stroom Belgische vluchtelingen tijdens WOI werd opgevangen in padvindersclubhuizen. Prins Hendrik was verbaasd dat er twee organisaties bestonden, de NPO en de Nederlandse Padvinders Bond en wilde deze naar het ideaal van Baden-Powell laten fuseren tot één nationale Scoutingorganisatie per land waarvan iedereen deel van uit zou kunnen maken.

Jaap Schimmelpenninck kwam als NPO-commissaris van het district Utrecht in contact met Prins Hendrik. Toen in december 1915 uit de fusie de Nederlandse Padvinders Vereniging voortkwam, werd Prins Hendrik hiervan koninklijk commissaris en Jaap werd lid van het hoofdbestuur.

Jaap kreeg tevens een erebaan als adjudant van Prins Hendrik en stond hem terzijde bij allerlei belangrijke padvindersbijeenkomsten. Prins Hendrik zond Jaap en zijn verkenners in de jaren die volgden regelmatig naar het buitenland om zijn groeten over te brengen aan hoofdbesturen aldaar. Zo waren er reisjes naar Duitsland, Oostenrijk en Hongarije. Ook mochten de jongens regelmatig kamperen op het landgoed Mecklenburg van Prins Hendrik in het noorden van Duitsland. Deze kampen duurden soms wel drie weken en werden allemaal door de prins bekostigd.

In 1925 verhuisde de jonker, zoals Jaap door de verkenners werd genoemd, naar Den Haag en nam afscheid van de troep. Als afscheidscadeau kreeg hij een zilveren sigarettendoos. Met het vertrek van Jaap was het contact met het Koninklijk Huis verbroken en was het dus gedaan met de leuke reisjes.

Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog richtte Jaap een verzetsorganisatie op, die later overging in de ordedienst (OD). Een geheime organisatie, die er voor moest zorgen dat in Nederland, op het moment van bevrijding, orde en rust gehandhaafd zouden worden. Bij de OD kreeg Jaap de bijnaam ‘Oom Alexander’, omdat hij in de Alexanderstraat in Den Haag woonde. De Duitsers kregen lucht van de organisatie en Jaap werd gearresteerd. Pas drie jaar later werd hij ter dood veroordeeld en in de zomer van 1943 op de Leusderheide gefusilleerd. Vlak na de oorlog werd het massagraf waarin Jaap lag gevonden en werd hij herbegraven op de gemeentelijke begraafplaats Rusthof in Amersfoort.

Jaap is postuum onderscheiden met het Verzetskruis.